Hoeveel of juist hoe weinig architectuur?

Met de groeiende adoptie van agile werkmethoden groeit ook de discussie over architectuur. Waar vroeger het kwaliteitsdenken leidend was, met dikke ordners vol documentatie, rijst nu steeds vaker de vraag of architectuur en ontwerpen nog wel nodig zijn. Ik zie dit bij mijn klanten en hoor het ook van mijn Solventa collega’s. Laat ik er maar geen doekjes om winden, als architect ben ik van mening dat enige vorm van architectuur essentieel is voor een stabiele informatievoorziening en gecontroleerde veranderingen daarin. Maar hoeveel architectuur moet je dan eigenlijk hebben? En wat bedoelen we eigenlijk met “hoeveel”?

Uitspraken van Agile guru’s als Martin Fowler die propageren dat “er zo min mogelijk van dat spul moet zijn” helpen natuurlijk niet bij het concreet beantwoorden van deze vragen, maar er zit wel een kern van waarheid in. Je moet deze uitspraak alleen niet te letterlijk nemen. Ik interpreteer zijn stelling als: “niet altijd zal even weinig architectuur voldoende zijn”.

 

Ik puzzel al een tijdje met de vraag of we omstandigheden kunnen typeren waarmee we kunnen  bepalen hoe weinig architectuur genoeg is? Hieronder tref je mijn bijdrage aan dit vraagstuk aan …

 

Veranderkundig bekeken

Tijdens mijn studie informatiemanagement heb ik een onderzoek gedaan naar de implementatie van nieuwe soorten dienstverlening. Daarbij heb ik veel gelezen over de veranderkundige theorieën van Marco de Witte en Jan Jonker[1].

Zij categoriseren soorten veranderingen in drie ordes aan de hand van de veranderdiepte en -breedte (zie hiernaast).

  • De eerste orde kent een bescheiden verandering en wordt gekenmerkt doordat het beoogt een bestaande situatie in een organisatie net iets anders te doen. Van A naar A’ zoals zij zeggen. Veranderkundig noemen zij dit ‘verbeteren’ en deze veranderingen kennen over het algemeen weinig complexiteit en zijn kansrijk.
  • Bij de tweede orde gaat het om het fundamenteel herzien van het bestaande organisatieparadigma. In basis komt dit er op neer dat een organisatie nieuwe business ontwikkelt met de competenties die zij al in huis hebben. Van A naar B. Verander-kundig noemen zij dit ‘transformatie’ en dit is complex en risicovol.
  • Waar de eerste en tweede orde vooral betrekking hebben op persoonlijke veranderingen of veranderingen binnen één organisatie, gaat de derde orde over veranderingen in samenwerkingsverbanden van mensen en organisaties, ook wel systeemverandering genoemd. In essentie gaat het in de derde orde om het inrichten van een nieuwe maatschappelijke opgave (gevestigde orde gaat op de kop) waarbij partijen die samen het systeem vormen tot een fundamenteel nieuwe inrichting en samenwerking komen. Van A naar ‘?’. Veranderkundig noemen zij dit een ‘transitie’ en dit is zeer complex en een grote uitdaging.

 

Drie architectuurordes

In mijn ontdekkingstocht naar “just enough architecture” heb ik de veranderordes van de Witte vertaald naar architectuurordes. De assen van veranderbreedte en -diepte heb ik ingevuld met elementen die het mogelijk maken een beeld te vormen bij de benodigde architectuur (zie de afbeelding hieronder). 

  • Eerste orde veranderingen ‘aanpassen’, waarbij een bestaande situatie wordt bijgesteld, beperken zich tot de reeds aanwezige systemen en er kan volstaan worden met een potloodschets van de architectuur waarin de essentie van de verandering wordt gevangen. Door iedere Sprint met een potloodschets te beginnen is voldoende richting te geven aan de realisatie. Er kan weinig mis gaan.
  • De tweede orde verandering ‘vernieuwen’ voegt compleet nieuwe functies en subsystemen toe, bijvoorbeeld een nieuw operating model of digitaliseren van bestaande werkwijzen. Er wordt ingegrepen in bestaande systemen van processen en applicaties. Met een looptijd van 0,5 tot 1 jaar zullen zich vele situaties voordoen waarbij je af- en omgeleid zult worden van het doel. Daarnaast moet je waarborgen dat de bestaande business niet verstoord wordt, daarmee financier je tenslotte de verandering. Enkel een potloodschets zal hierin onvoldoende sturing geven. Er is meer houvast nodig, een “stip op de horizon”, om de Sprints richting te geven en op koers te houden. Met behulp van architectuurprincipes en richtlijnen worden de kaders voor de “stip” gedefinieerd. Enkele weken om deze kaders te bedenken en vast te stellen is geen gekke investering en het zal zich dubbel en dwars terugverdienen. Géén pakken papier, maar wel voldoende uitgewerkt dat het hele team de kaders begrijpt en onderschrijft. In de Sprints kan dan weer met eenvoudige schetsen worden gewerkt.
  • In tegenstelling tot wat je wellicht verwacht is bij een derde orde verandering ‘innoveren’ minder “up front” architectuur nodig dan bij een tweede orde verandering. Derde orde veranderingen vinden plaats in een “green field” en zijn creatieve processen die je niet moet verkrampen door strakke richtlijnen en kaders. Je hoeft ook geen bestaande situatie te beschermen. Er wordt met een blanco pagina begonnen en er is nog zeer weinig te zeggen over de eindsituatie. Tijdens de reis zullen telkens nieuwe doelen worden ontdekt en bijbehorende oplossingen worden ontwikkeld. En tijdens deze reis zullen architectuurprincipes en richtlijnen mee ontwikkeld worden op weg naar de “stip” (of is het hier meer een “ovaal”).

 

Dus, drie architectuurordes als houvast om niet te weinig architectuur te hebben.

Makes sense or not?

 

 

[1] Witte, M.C. de en Jonker J. (2013). De kunst van veranderen. Alphen aan den Rijn: Vakmedianet