Samenwerken in ketens, een normale gang van zaken. Je zou haast denken dat ketenintegratie, inclusief bijbehorende architecturen in de huidige wereld normaal is. Helaas blijkt dit niet zo eenvoudig te zijn. Ketenintegratiearchitecturen zijn nog minimaal beschreven.

Met een simpele zoekopdracht op het welbekende Google zijn de resultaten veelal bouw-gerelateerde onderwerpen. Daar waar de (bouwkundig) architect ketenintegratie realiseert met de aannemers en/of projectontwikkelaars. De bouw is daarmee vooruitlopend in ketenintegratie?
Misschien moet ik wel voorzichtig vaststellen dat deze sector toch vooruitloopt op de ICT-sector.

Deze vaststelling zorgt ervoor dat de zoekopdracht met andere kernwoorden gespecificeerd werd. Hierbij bood de website e-Overheid uitkomst.
De pagina van de NORA Meedoen is een eerste handreiking bij het overzicht van bestaande ketenarchitecturen. Op deze pagina staan ook een aantal documenten die de succesfactoren beschrijven bij het beschrijven en werken onder ketenarchitectuur.

Het zijn 8 architecturen die bepaalde domeinen afdekken en daarmee ook de ketensamenwerking tussen de verschillende partijen in het betreffende domein kaderen. Een opvallend detail is dat KARWEI als enige daadwerkelijk Ketenarchitectuur Werk en Inkomen genoemd wordt. Overig beschreven architecturen worden allemaal referentiearchitecturen genoemd.

Dit zorgt ervoor dat bij mij de vraag op komt: waarom zijn er (nog steeds) een beperkt aantal ketenintegratiearchitecturen?
Of we nu privaat- & publiek-, publiek- & publiek- of privaat- & privaat-rechtelijk werken, er is een motivatie voor samenwerking. En met deze motivatie een reden voor architectuur.

Het integraal werken in een keten zorgt ervoor dat er nauw samengewerkt dient te worden. Samenwerken houdt in dat er een gemeenschappelijk kader, anders gezegd spelregels, afgesproken dient te worden. Ook definities dienen vooraf afgestemd te worden.
Zelf ben ik bijvoorbeeld tegengekomen bij een integratietraject dat de definitie ‘premie’ al tot een verschil van inzicht zorgde. Doordat we hiervoor een definitiekader opgesteld hebben, was het mogelijk om de twee organisaties met elkaar te verbinden.

Niet alleen gemeenschappelijke definitiekaders zorgen voor samenwerking, zo is het ook noodzakelijk dat elkaars processen inzichtelijk en begrepen worden. Zowel de input als de output vanuit de organisaties dienen over de organisatiegrenzen bekend te zijn. Een andere methode is doordat vertegenwoordiging ‘een kijkje in de keuken’ hebben.

Bovenstaande zachte methoden om samen te werken dragen ook bij aan technische principes en uitgangspunten. Standaardisatie gaat daar zeker bij ondersteunen. Ook hiervoor geldt: de principes en uitgangspunten dienen door alle ketenpartners geaccepteerd te zijn.

Samenvattend: er zijn ketenintegratiearchitecturen, maar mijns inziens beperkt. Het is, ondanks dat ketenintegratie bij velen op het netvlies staan, nog een minder ontwikkeld architectuurperspectief. De architecturen die aanwezig zijn binnen organisaties stellen toch meestal de eigen organisatie centraal. Er wordt wel gerefereerd naar referentiearchitecturen, maar echt vanuit meerdere organisaties 1 architectuur definiëren, opstellen en bewaken, is nog geen gemeengoed.