Een tijdje terug was ik toehoorder van een bijeenkomst waarin een product vision werd toegelicht. Een visie op een product waarmee een ketenbreed informatieprobleem moest worden aangepakt. De goede vertegenwoordigers van de ketenpartijen zaten aan tafel. De onderzoeker had een mooi rapport gemaakt van relevante doelgroepen en hun informatiebehoeften en wilde middels een architectuurschets beargumenteren welke oplossing dan noodzakelijk was.
Wat me opviel tijdens de bespreking? In de discussie werd heel snel en impliciet de stap gemaakt van een functionele beschrijving van het probleem naar het type oplossing dat nodig zou zijn om dit probleem op te lossen. En opeens hadden we een gesprek over portalen en monolithische systemen waardoor de functionele oplossing van het ketenprobleem op de achtergrond dreigde te raken.

Mijn handen jeukten om het probleem terug te brengen tot de juiste volgorde: eerst overeenstemming over het probleem, dan het functionele ontwerp van de oplossing en daarna pas de inrichtingsaspecten. Voorbeelden genoeg: in de procesarchitectuur hebben de functionele ontwerpaspecten eerst de aandacht, daarna de inrichtingsaspecten. In de BizBok krijgen eerst de inrichtings-onafhankelijke aspecten als de capability map focus voordat de inrichting van een organisatie aan bod komt. En alle referentiearchitecturen starten vaak met een bedrijfsfunctiemodel.

Wat ik mij na afloop van de meeting realiseerde? Dat een van de eerste principes van het architectuurdenken die ik tien jaar geleden leerde en in de praktijk mocht ervaren nog altijd heel belangrijk is. En het loont om iedereen daarop scherp te houden en niet aan te nemen dat iedereen zo denkt! Anders blijft dat duveltje toch steeds uit dat doosje springen.

 

Terug naar blog

Auteur

Pieter Buitenhuis

Datum

20 juni 2018

Categorie(ën)

Architectuur

Tag(s)